Korte verhalen

La bella Italia

Stervenskoud was het. En doodstil. Ik stampte de vorst uit de zolen van mijn met bont gevoerde laarzen, trok m’n muts nog verder over m’n oren. Bij elke ademteug leken mijn neusvleugels, keel en longen te bevriezen. Ik begroef mijn gezicht in mijn sjaal. Hopelijk zou de kerk verwarmd zijn.
Het dorp lag op de top van de heuvel, verlaten in de nacht. Het stak onwerkelijk mooi af tegen de heldere sterrenhemel. Het dorpsplein werd omringd door zwak aangelichte huizen met afgebladderd stuc in terracotta en oker. Centraal stond de eeuwenoude lindeboom, nu grillig zonder blad, voor het veertiende-eeuwse kerkje. Achter de hoge gotische ramen schemerde een zacht licht. Nog een donzig laagje sneeuw en je had de perfecte kerstkaart!
Met mijn hand in de dikke handschoen omsloot ik de klink van het verweerde deurtje dat uitgespaard was in de hoge processiedoorgang. Op slot. In Italië namen ze de tijden niet zo nauw. Ik draaide me om en tuurde naar het dorpscafé verderop. Achter de grotendeels beslagen ruiten bewogen zich lichamen. Daar was warmte. Daar was vriendschap. Er werd kerst gevierd met een flinke borrel. Voor mij geen alcohol. Niet zolang Gods woord gesproken had, tot mij persoonlijk, mij toestemming had gegeven in het Italiaans, tijdens deze kerstmis.
Een antwoord, dat wilde ik. Een teken van boven. Ik geloofde daarin, wilde daarin geloven, klampte me daaraan vast. Want de hele week had in het teken gestaan van vertwijfeling. Nu moest de juiste beslissing genomen worden. Nu. Morgen was de afspraak die mijn leven zou bepalen. Morgen om 9 uur 30. Met de gynaecologe die wegkeek toen ze mij een hand gaf, die mij verwachtte in het Katholieke ziekenhuis Santa Maria della Carità. Dan waren de zeven dagen bedenktijd om. Ik moest gaan – of absoluut niet natuurlijk.
Ik duwde de deur naar de gezelligheid open. Boven mij klonk een belletje en het was in een miljoenste seconde dat alles stilstond. Het harde neonlicht benadrukte de lijnen van de gezichten. De vierkante kin vlakbij bevroor toen hij z’n glas naar z’n mond bracht. Ik zag mijn buurman, de boer met de pet, die opkeek, mij herkende en zijn frons: wat doe jij hier nou? Ik zag de kinderloze vrouw van de supermercato, opgedoft met glittersieraden, haar man in bewondering naast haar. En toen zag ik hem: Quasimodo, het wezen met uitpuilende ogen dat naar mij of naar de muur tegenover mij keek. De ene pupil naar links, de andere naar rechts. Hij was zo lelijk dat mijn blik juist hem fixeerde. Zijn mond een paardenbek, met slechts twee tanden recht naar voren, kwijl langs zijn kin. Daar stond hij, als een sterk boerenpaard, ongelooflijk groot en breedgeschouderd. Ik kende hem wel, had hem eerder gezien: op een middag in augustus, op het heetst van de dag, toen iedereen siësta hield. Hij maakte een wilde dans rond de boom, volgde de contouren van de schaduw, bleef in de hitte van de zon. Hij sprong, zong, zwaaide in het wild, zwetend als een otter. Geketende gekken in het Dolhuis van een eeuw geleden, dat was waar ik aan dacht. Ik wist wie hij was, hoe de dorpsgek genoemd werd: La bella Italia. En juist zijn beeld bleef hangen: het kind van de rekening, van de beslissing. Het resultaat van de acceptatie, van een risico.
Toen hernam de tijd zijn vlucht. Mannen sloegen Quasimodo op zijn schouder, proostten met hem en maakten hem aan het lachen, een hoge, gierende lach die uit zijn onderbuik leek te komen, een lach die sneed in je ziel.
Ik sloot de deur en worstelde me naar achteren, naar de bar. ‘Ciao, vicino, come va?’’, schudde handen, kuste wangen. ‘Ciao, ciao – si, si, tutto bene’.
Ik pelde me af, schudde mijn haar los en legde het pakketje muts, sjaal en handschoenen op de kruk. Aan de zijkant van de bar knipoogde een vrolijk opgetuigde kerstboom. Ik doe het wel, ik doe het niet. Ik doe het wel, ik doe het niet. Hij die van niets wist, was er gelukkig niet. Hij bracht vast de Heilige Avond door bij zijn grote familie: bij zijn moeder, oom, tante, vijf nichtjes en drie neven.
Ik bestelde een café latte, warmde mijn handen aan het glas.
Een tikje op mijn schouder, ik draaide me om. Toch alleen gekomen, waarom? Giorgio, vijftien jaar jonger dan ik, met zijn zwarte krullen, manlijke kaak en blauwe ogen. In Italië eentje van dertien in een dozijn, maar in Nederland zo uit de Armani-reclame gestapt. Tot hij zijn mond opendeed.
‘Hé bella!’, schreeuwde hij boven het lawaai uit. ‘Wat leuk je weer te zien! Ik had je niet verwacht.’ Hij lachte zijn ontbrekende voortand zonder gêne bloot.
Ik wees op mijn oren. ‘Non ti sento.
Ik had hem, Giorgio, sinds die ene keer bij me weg weten te houden: te druk met mijn werk, te veel gedoe op de boerderij. Eén keer was het maar. Eén keer. En dan raak. De aantrekkingskracht van een zwart gat. Dat was hij twee minuten lang geweest. De aantrekkingskracht van een zwart gat in mijn heelal van zelfverkozen eenzaamheid.
Het café liep leeg. Met veel geschreeuw over en weer stapte een grote groep mannen de kou in. La bella Italia wankelde, moest ondersteund door twee mannen met roodpaarse gezichten. Zijn rug gekromd, de loop van een gorilla.
‘De kerk zal wel open zijn.’
Ik pakte me weer in en liep naar buiten met Giorgio in mijn kielzog. Buiten gaf hij mij een arm – permesso? – en we betraden de half gevulde kerk. In de hoogte waren straalkachels opgesteld die de ijzige kou moesten temperen. Bluestonen slingerden de hoge ruimte in, weerkaatsten in de spitse bogen.
‘Dat is Franco’, fluisterde Giorgio, op de organist wijzend, terwijl we de banken in schoven. ‘De broer van de pastoor.’ Ik knikte. Franco zette met veel energie een nieuw nummer in: Oh when the Saint … De akkoorden sloeg hij zo enthousiast met beide handen aan dat het losse orgel stond te trillen. Oh when the Saint …. Zijn hele bovenlijf deinde op de maat mee.
Met het vollopen van de kerk, veranderde Franco van repertoire en lichaamshouding. Zijn rechte rug zakte in, verslagen speelde hij iets van Bach, de verveling droop van zijn gezicht. Midden in het muziekstuk hield hij op, vouwde zijn handen in zijn schoot en staarde met een ontevreden blik naar de kerkgangers. Het geroezemoes verstomde.
Geheel onverwachts, als een wolf die zich achter een boom had verscholen, sprong La bella Italia vanachter een pilaar vandaan, zijn dikke lijf in rood-wit misdienaargewaad gehuld, een koperen belletje tussen twee worstvingers en dikke duim geklemd. Zijn lach was zo schril, dat iedereen opschrok en rechtop ging zitten. Hij stapte het heilige podium op, deed zijn enorme mond open, toonde zijn twee tanden en rode keelgat terwijl hij de bel zo hard hij kon liet klingelen.
Iedereen stond op.
De mis kon beginnen.
In de naam van de vader, de zoon en de Heilige geest. De pastor gaf het wijwater aan zijn misdienaar. Mijn blik was op de Breugheliaanse kop gericht. De radeloosheid straalde er opeens vanaf. Volkomen in de war zette hij de bel op de grond. Je zag hem denken: Wat moet ik nou met dit water? De pastoor kwam naar voren, Quasimodo blikte om zich heen. Ah, een plantenbak met kerstster. Hij nam twee enorme stappen en kieperde het wijwaterbakje leeg. Ecco, fatto. Triomfantelijk staarde zijn rechteroog mij aan. Alsof hij speciaal tegen mij wilde zeggen: heb je problemen? – zo los je ze dus op. Het lege bakje zette hij met een gierende lach terug op het altaar.
‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God.’ Flarden van de lezing verstond ik, herkenning uit mijn jeugd. ‘Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen.’ De meisjes van het koortje zetten een psalm in: lijzig en vals. De pastor las het Kerstverhaal routineus voor.
Toen zocht La bella Italia iets, op het altaar, op de grond. Zijn pupillen schoten alle kanten op. Ik stootte Giorgio aan. Wat zoekt hij toch? Giorgio haalde zijn schouders op. De preek liep ten einde, dat was het. Het hoofd van La bella Italia werd groter en roder, zijn ogen rolden in de kassen. Het voorovergebogen bovenlijf slingerde boven de vloer van links naar rechts. ‘Hij zoekt zijn bel’, zei Giorgio zachtjes.
Ja, waar was die bel gebleven? Ook ik zocht met mijn ogen. Geen bel. Een onbedaarlijke lachsalvo kriebelde in mijn maag en mijn mond begon te krullen.
Steunend en kreunend liet La bella Italia zijn zware lijf zakken. Op handen en voeten kroop hij over de grond. De pastoor prevelde de woorden, afgelezen van het grote boek op de gebeeldhouwde standaard. Het kleed over het altaar werd opgetild: geen bel. Bij de plantenbak: geen bel. Tot God hief hij zijn handen in een smekend gebaar. Nu tilde hij de jurk van de pastoor op. E ecco! Wonder oh wonder. Daar stond de bel. Precies op tijd gevonden. Moeizaam krabbelde hij overeind, slingerde de bel door de lucht met een dankbare uitbundigheid.
Ik lachte zacht, sloot mijn ogen. Wat hield ik toch van Italië, van het theater, van hoe de dingen waren, van mijn leven hier, van het feit dat ik erbij hoorde. Ja, ik hield veel van Italië, zelfs van La bella Italia.
Giorgio stootte me aan. Er vormde zich in het gangpad een rijtje voor een levensgrote babypop, die op de geopende handen van de pastor lag.
Ik schoof de bank uit, deed een stapje opzij om de man van de supermercato te laten passeren. Zijn vrouw vooraan, maakte een knix voor ze met haar volle lippen een intense kus gaf op het blinkende zilveren hart van het kindeke Jezus. Ze draaide zich om, knikte ernstig naar mij. Mijn buurman, voor mij, de pet in zijn hand, kuste vluchtig de lucht boven de navel. Toen was het mijn beurt. De pastor glimlachte. Ik richtte me op het voorhoofd van de pop. Grazie, padre, mompelde ik.
Buiten nam ik afscheid van iedereen, ook van Giorgio. Buon Natale, Giorgio, anche per la tua famiglia. Ik legde mijn hand op mijn buik. Mijn beslissing was genomen.


Iets met een aa

‘Ik moet naar de wc, hoor je me niet? Ik moet een grote … ik moet poe-hoe-pen!’
Ze laten je gewoon staan, in je rolstoel. Die rrr… Je kunt geen kant op. Geen kracht in m’n armen. Met m’n goede voet een beetje zo, als vroeger op de step, als ik naar voren leun. Ja, tot het eind van de gang. Kan de draai niet maken naar de andere kant, waar de ramen op de tuin uitkijken. Daar zitten al die … die … stumpen, voor zich uit te staren. Niks te zien buiten. Vogeltje op z’n best.
‘Halloo-hooo! Kom me nou helpen!’
Het zijn allemaal … ‘Moet ik soms gillen? Ik moet naar de wc!’
Ze horen me wel. Ik zie ze kijken, vanuit dat glazen hokje. Nou zwaaien ze ook nog naar me, doodleuk. Met hun uitgestreken gezichten, die … je weet wel, met die donkere huidskleur, die zo raar tegen je praten.
‘Wat?’ Tien minuten, moet ik tien minuten wachten? Maar ik houd het bijna niet. Wat een kl…. klerelijers. Een oude man als ik, zo te behandelen. Dat was in Zuid-Afrika wel anders. Hoewel ik altijd goed ben geweest voor die zwartjes. Ja, dat mag je niet zeggen, dat weet ik wel. Je moet ze hier, hoe heet het noemen. Iets met een aa – ik kan er niet opkomen.
Mijn dochter was hier weer, laatst. Die neemt altijd wat lekkers voor me mee. Een ijsje of iets anders. Ze is best lief, dat ze toch elke week komt. En ik had zin in … ik kon er niet opkomen, dus zeg ik tegen haar: neem van die dingen mee, je weet wel, die zo lekker zacht zijn van binnen. Zegt ze tegen me: bedoel je roomsoesjes? Nee, nee, zeg ik, nee! – maar wel zacht van binnen. En ik kon er niet opkomen, dat is door die – hoe heet het – die rode vlek in m’n kop gekomen. Dus ik zeg: tompoesjes, ja, neem tompoesjes voor me mee. Komt ze een week later aan met iets met lagen en roze suiker bovenop. Ik was woedend. Ja, razend was ik. Dat bedoelde ik toch helemaal niet! Bruin van buiten. Bruin! Ik tekende het voor haar en opeens zei ze het goede woord: kroketten. Ja, zo heet het, kroketten. Nou, die neemt ze volgende keer voor me mee.
‘Hallo-hoo! Kom nou toch!’ Ze laten me gewoon wachten, die aa … wat zijn het toch een stelletje … Hoe noem je ze nou ook alweer, met een net woord, hier in Nederland?
Oh, ik houd het niet meer. Diarree. Ik voel het zo in mijn luier lopen. Te laat. Het is gewoon te laat. En met die smurrie weet ik opeens het woord weer. Het schiet me opeens te binnen: anemonen!

 

Klik hier om een gedicht van haar te lezen.